Voortgang

Collectieven: succesvolle sturing 'dicht bij de boer'

Interview met Paul Terwan, adviseur collectieven.

Paul Terwan adviseur collectieven 

Wat zijn belangrijke resultaten tot zover?

“In zijn algemeenheid vind ik de grote deelname opvallend, terwijl het toch maar om kortlopende contracten gaat. Ik zie die hoge dekkingsgraad ook als blijk van de sturingskracht van collectieven ‘dicht bij de boer’. Die dekkingsgraad is vooral belangrijk voor diensten waar het gaat om aaneengeslotenheid – bijvoorbeeld coulisselandschap, corridors – en een samenhangend beheermozaïek – bijvoorbeeld weidevogels.
Daarnaast levert het vooral winst dat geoefend kan worden met de collectieven als eindbegunstigde. De vraag daarbij is wat precies de rol van de collectieven wordt en wat dan de optimale relatie is met de rol van overheidsinstanties. Winterswijk onderscheidt  zich daarbij van de andere pilots, omdat het daar gaat om een stichting van boeren, gemeente en andere gebiedsorganisaties.”

“Verder komt de sturing goed uit de verf. Met name rond de ruimtelijke situering: waar komt het beheer terecht? In Laag Holland laten ze dat bijvoorbeeld zien met een dienst voor het behoud van oud grasland, wat met name interessant is voor weidevogels. Met behulp van een kartering van Landschap Noord-Holland hebben veldmedewerkers percelen uitgezocht waar deze dienst het best uitgevoerd zou kunnen worden. Op basis hiervan is een deel van de aanvragen afgewezen. Op dezelfde manier is het gegaan met het cluster sloot- en oeverbeheer. Omdat niet alle percelen voorafgaand konden worden bezocht, is een deel aangewezen op basis van kaartmateriaal en veldkennis. Door middel van controles achteraf wordt gekeken of de juiste keuzes zijn gemaakt. Daar kun je niet ineens inschrijvingen op afwijzen, maar het is wel interessant voor het jaar erop.
Bij de Agrarische Natuurvereniging Oost Groningen, ANOG, hebben ze vorig jaar met de kaart op tafel gekeken waar SNL-beheer werd uitgevoerd. Vervolgens werd gekeken hoe daarop aangesloten kan worden. Dat is heel effectief, je maakt een soort mini ecologische infrastructuren. Bovendien kun je zo inschrijvingen met argumenten afwijzen. Dit jaar hebben ze bij ANOG een deel van het akkervogelbeheer gericht op natte plekken. Deze gebieden zijn agrarisch minder interessant en kunnen ook ecologische meerwaarde bieden. Op basis van de geselecteerde locaties zijn boeren gericht benaderd. Op die manier kan synergie ontstaan met het waterbeleid.”

Hoe zit het met besparingen?

“Er zijn natuurlijk gegevens over wat alles gekost heeft. Het lastige is dat er heel hoge opstartkosten waren. We moeten nu zien dat we de daadwerkelijke uitvoeringskosten daaruit filteren.
Feit is dat de medewerkers die zorgen voor de controle binnen de collectieven toch al in het gebied rondlopen. Dat doen ze voor de weide- en akkervogels en voor enkele andere diensten die de collectieven uitvoeren. Bovendien weten ze welk land bij wie hoort, ze kennen het gebied en de boeren. Zo heb je een hoge dekkingsgraad aan controle tegen lage kosten. Natuurlijk maken zij deels dezelfde kosten als Dienst Regelingen. Maar omdat DR onbekend is met een gebied zullen zij bepaalde kosten maken die een collectief niet maakt.”

Wat zijn ervaringen van boeren zelf?

“Het spannende van het oefenen met sturingskracht is hoeveel boeren je in beweging krijgt en hoeveel goodwill je hebt om ook minder populaire beslissingen te nemen. Zo moesten bij verschillende collectieven, zoals ANOG, uit budget- of inhoudelijk oogpunt inschrijvingen worden afgewezen, maar dit is gebeurd zonder al te veel morren van de boeren. Zolang je het maar goed kunt verantwoorden, behoud je die goodwill.
Belangrijk daarbij is dat de collectieven dicht bij de boeren staan en aantrekkelijke services kunnen leveren. Dat geldt bijvoorbeeld voor de inschrijfprocedure die voor de pilots nodig is. Daarnaast kopen ANOG en Water, Land en Dijken in Laag Holland collectief zaaizaad in voor randenbeheer, met kwantumkorting. Ook geeft ANOG boeren de mogelijkheid om met GPS randengegevens in te voeren, zodat zij precies weten waar akkerranden ingezaaid zijn en waar zij hun gewassen kunnen inzaaien.
Daarnaast merken we dat de diensten in een aantal gevallen wel degelijk effect hebben op de bedrijfskeuzen van de deelnemers, bijvoorbeeld in hun beweidingskeuzen en in de verhouding tussen grasland en maïsland. En we merken dat de pilot ook gespreksonderwerp is tussen boeren onderling.
De collectieven zijn met een aantal compleet nieuwe diensten gekomen. Daar is behoorlijk op ingeschreven. Natuurlijk speelt daarbij ook de vergoeding een rol, maar er is veel animo voor afspraken die maar gelden voor één of twee jaar, zelfs als ze helemaal niet zo veel geld opleveren. Er lijkt bij boeren een soort nieuwsgierigheid te zijn. En met de huidige discussies rond de vergroening van het GLB lijkt ook steeds meer het besef te ontstaan dat het goed is om te oefenen met andere vormen van natuur- en landschapsbeheer.”

Hoe verloopt de communicatie?

“De pilots komen met regelmaat bij elkaar, soms op eigen initiatief, soms op verzoek van het ministerie. Ze hebben op eigen initiatief een soort Community of Practice, een gesprekskring, gevormd. Ze komen denk ik zo eens in de zes weken bij elkaar en zijn behoorlijk actief. Hun ideeën beperken zich niet tot de collectieven, ze hebben ook op andere fronten ideeën, GLB-breed. En die brengen ze ook actief naar buiten. Ik vind het leuk dat zij een eigen dynamiek hebben gecreëerd en breed aan het nadenken zijn geslagen. Ze zijn een hele politieke lobby gestart. Daar ben ik heel tevreden over.
De communicatie met het ministerie gaat steeds beter. Het eerste jaar is er nogal gemopperd op de communicatie en de coördinatie van activiteiten rond GLB en pilots. Maar ik ben blij dat het ministerie steeds meer de regie neemt.”

Wat gaat er de komende tijd gebeuren?

“De komende maanden zullen de pilots vooral meedenken over de positie van collectieven binnen de tweede pijler. De aandacht wordt dus iets meer getrechterd. Er zullen flinke stappen worden gemaakt hoe alles organisatorisch vorm moet krijgen. Daarnaast zullen de pilots als ‘demonstratieobject’ voor het werken met collectieven blijven meewerken aan bezoeken van beleidsmakers uit Brussel en Den Haag, en van de politiek.
Verder zijn de collectieven actief bezig met de landelijke discussie over de plek van agrarisch natuurbeheer. In het Bestuursakkoord staat dat het agrarisch natuurbeheer buiten de Ecologische Hoofdstructuur, de EHS, volledig betaald zal moeten worden uit de eerste pijler. Omdat er voor collectieven nu vooral naar de tweede pijler wordt gekeken, zou dat betekenen dat collectieven alleen binnen de EHS nog agrarisch natuurbeheer kunnen uitvoeren. Voor een groot deel van de pilotgebieden zou dit betekenen dat de collectieven buiten spel staan. Bleker heeft echter wel gezegd de rol van collectieven ook in de eerste pijler te willen behouden, maar de vraag is hoe dat het beste kan. Er bestaat bij collectieven de vrees dat door de decentralisatie en de bezuinigingen het agrarisch natuurbeheer wordt uitgekleed, en dat zij nu iets optuigen dat straks maar toegepast kan worden op een klein oppervlak.”